Prinsjesdag 2026 ligt achter ons. Op 15 september presenteerde het kabinet de plannen voor 2027. Voor zelfstandigen blijft er veel in beweging.
De fiscale voordelen voor ondernemers worden verder beperkt, de discussie over schijnzelfstandigheid en de positie van zzp’ers gaat door en ook de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering komt steeds dichterbij.
Wat betekenen de plannen voor jou als zelfstandig professional? En waar moet je als opdrachtgever rekening mee houden? We zetten de belangrijkste ontwikkelingen op een rij.
Zelfstandigenaftrek daalt verder in 2027
Een ontwikkeling die al langer bekend is, maar in 2027 opnieuw merkbaar wordt, is de afbouw van de zelfstandigenaftrek.
In 2025 bedroeg de zelfstandigenaftrek nog € 2.470. In 2026 is dit gedaald naar € 1.200 en in 2027 resteert nog € 900.
Dat betekent dat het fiscale verschil tussen zelfstandig ondernemerschap en werken in loondienst opnieuw kleiner wordt. Voor zelfstandigen die aan het urencriterium voldoen, blijft de aftrek bestaan, maar het financiële voordeel ervan is inmiddels aanzienlijk beperkter dan enkele jaren geleden.
Het kabinet gaat bovendien verder met het versoberen van fiscale regelingen voor starters. In het Belastingplan 2027 wordt voorgesteld om de startersaftrek vanaf 2028 helemaal af te schaffen. Ook de willekeurige afschrijving voor starters zou per 2028 verdwijnen.
Wat betekent dit voor zelfstandigen?
De fiscale voordelen van het klassieke zzp-model worden steeds kleiner. Het wordt daarom belangrijker om niet alleen naar belastingvoordelen te kijken, maar naar de totale inrichting van je ondernemerschap: inkomen, continuïteit, verzekeringen, pensioen en de juridische relatie met opdrachtgevers.
Handhaving op schijnzelfstandigheid blijft
Misschien wel het belangrijkste onderwerp voor zelfstandigen én opdrachtgevers blijft schijnzelfstandigheid.
Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer volledig op arbeidsrelaties. Wanneer iemand als zzp’er wordt ingehuurd, maar de arbeidsrelatie feitelijk kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst, kan dat financiële en juridische gevolgen hebben.
Een overeenkomst waarin staat dat iemand zelfstandig ondernemer is, is daarbij niet voldoende. De manier waarop in de praktijk wordt gewerkt is bepalend.
Denk bijvoorbeeld aan vragen als:
- Wie bepaalt hoe en wanneer het werk wordt uitgevoerd?
- Kan de zelfstandige zich daadwerkelijk als ondernemer gedragen?
- Loopt de zelfstandige commercieel risico?
- Is de professional ingebed in de organisatie van de opdrachtgever?
- Werkt de zelfstandige voor eigen rekening en risico?
Wanneer achteraf wordt vastgesteld dat feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, kan de opdrachtgever alsnog met loonheffingen worden geconfronteerd. Daarnaast kunnen er arbeidsrechtelijke en pensioenrechtelijke gevolgen ontstaan.
Voor opdrachtgevers blijft het daarom belangrijk om niet alleen naar het contract te kijken, maar vooral naar de feitelijke samenwerking.
VBAR deels van tafel: kabinet kiest voor Zelfstandigenwet
Ook op wetgevingsgebied is in 2026 het nodige veranderd.
Het kabinet heeft in maart 2026 besloten om het zogenoemde verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel VBAR (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden) te schrappen. Dit onderdeel moest duidelijker maken wanneer iemand als werknemer of zelfstandige moest worden beschouwd, maar volgens het kabinet zorgde de voorgestelde aanpak juist voor te veel onrust.
In plaats daarvan wil het kabinet verder met een Zelfstandigenwet. Die wet moet zelfstandigen een duidelijkere positie in de wet geven en meer duidelijkheid creëren voor zowel zelfstandigen als opdrachtgevers.
Dat betekent overigens niet dat de huidige beoordeling van arbeidsrelaties ondertussen verdwijnt. De bestaande regels en jurisprudentie blijven relevant en de Belastingdienst blijft handhaven op schijnzelfstandigheid.
Voor zelfstandigen en opdrachtgevers blijft de komende periode dus een overgangsfase: er wordt gewerkt aan nieuwe wetgeving, terwijl de huidige regels gewoon van toepassing blijven.
Rechtsvermoeden voor zelfstandigen met een lager uurtarief
Niet de volledige VBAR verdwijnt. Het kabinet wil het onderdeel waarmee zelfstandigen met een lager uurtarief hun rechtspositie gemakkelijker kunnen opeisen juist versneld invoeren.
Het gaat om een rechtsvermoeden voor zelfstandigen met een uurtarief tot € 38, gebaseerd op het prijspeil van 1 januari 2026. Wanneer een zelfstandige die onder deze grens valt stelt dat eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, ligt het vervolgens bij de opdrachtgever om aan te tonen dat daarvan géén sprake is.
Deze maatregel is vooral bedoeld om zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt beter te beschermen. Voor opdrachtgevers die werken met zelfstandigen tegen relatief lage tarieven is dit daarom een ontwikkeling om nauwlettend te volgen.
Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering komt dichterbij
Een andere grote verandering is de Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen, oftewel de BAZ.
Het wetsvoorstel is in maart 2026 naar de Tweede Kamer gestuurd. Het uitgangspunt is dat zelfstandige ondernemers die winst uit onderneming ontvangen verplicht verzekerd worden tegen arbeidsongeschiktheid.
Volgens het huidige voorstel bedraagt de premie 5,4% van het inkomen, tot een maximum van circa € 171 per maand. Deze bedragen kunnen gedurende de parlementaire behandeling nog veranderen.
Bij arbeidsongeschiktheid voorziet de verzekering in een uitkering van 70% van het eerdere inkomen, met maximaal het minimumloon als uitkeringsniveau. De voorgestelde wachttijd bedraagt twee jaar.
Er zijn uitzonderingen. Directeur-grootaandeelhouders vallen bijvoorbeeld niet onder de voorgestelde verplichte verzekering. Ook kan onder voorwaarden een passende private arbeidsongeschiktheidsverzekering een alternatief vormen.
Belangrijk: de BAZ is nog geen ingevoerde verplichting. Het wetsvoorstel moet eerst door het parlement worden behandeld en ook daarna is tijd nodig voor de uitvoering.
Ondernemen wordt meer dan een fiscale keuze
Als we de ontwikkelingen van de afgelopen jaren naast elkaar zetten, zien we een duidelijke beweging.
Het fiscale verschil tussen werknemers en zelfstandig ondernemers wordt kleiner. Tegelijkertijd wordt kritischer gekeken naar de arbeidsrelatie tussen zelfstandige en opdrachtgever en werkt de overheid aan meer sociale bescherming voor zelfstandigen.
Daarmee verandert ook de vraag die zelfstandige professionals zichzelf moeten stellen. Het gaat niet langer alleen om: hoeveel belastingvoordeel levert zelfstandig ondernemerschap mij op? Minstens zo belangrijk worden vragen als:
- Hoe wil ik mijn professionele zelfstandigheid organiseren?
- Welke risico’s wil ik zelf dragen?
- Hoe regel ik arbeidsongeschiktheid en pensioen?
- Past de manier waarop ik voor mijn opdrachtgever werk daadwerkelijk bij zelfstandig ondernemerschap?
Wat betekent dit voor opdrachtgevers?
Ook opdrachtgevers hebben met deze ontwikkelingen te maken.
Het simpelweg inhuren van iemand met een KvK-inschrijving en een zzp-overeenkomst biedt op zichzelf geen zekerheid over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. De feitelijke omstandigheden blijven doorslaggevend.
Organisaties doen er daarom verstandig aan om vooraf én gedurende een opdracht te beoordelen hoe de samenwerking in de praktijk is ingericht. Dat is met name relevant bij langdurige opdrachten, werkzaamheden die sterk verweven zijn met de eigen organisatie en situaties waarin de opdrachtgever veel invloed heeft op de uitvoering van het werk.
Wat betekent Prinsjesdag 2026 voor Uniforce-professionals?
De ontwikkelingen rond zzp maken duidelijk dat de overheid steeds meer onderscheid wil maken tussen daadwerkelijk zelfstandig ondernemerschap en arbeidsrelaties die in de praktijk sterk op loondienst lijken. Voor professionals die langdurige opdrachten uitvoeren binnen organisaties kan dat vragen oproepen.
Het Uniforce-concept kiest voor een andere juridische inrichting dan het klassieke zzp-model. De professional werkt vanuit een Declarabele Uren B.V. (DUBV) en is werknemer van de eigen onderneming. Daardoor draait de beoordeling van de arbeidsrelatie niet op dezelfde manier om de vraag of de professional voor een opdrachtgever als zzp’er of feitelijk als werknemer werkt.
Dat kan interessant zijn voor ervaren professionals die zelfstandig willen blijven ondernemen en tegelijkertijd langdurig voor opdrachtgevers willen werken.
Vooruitblik op 2027
Prinsjesdag 2026 bevestigt dat de arbeidsmarkt voor zelfstandigen blijft veranderen.
De zelfstandigenaftrek daalt in 2027 verder naar € 900. Het kabinet wil fiscale startersregelingen verder afbouwen. De handhaving op schijnzelfstandigheid blijft bestaan. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de Zelfstandigenwet en ligt de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen bij de Tweede Kamer.
Niet alle aangekondigde maatregelen zijn al definitief. Het Belastingplan 2027 en andere wetsvoorstellen moeten nog door Tweede en Eerste Kamer worden behandeld.
Voor zelfstandigen is er daarom geen reden om af te wachten. Juist nu is het verstandig om te kijken of de juridische, fiscale en sociale inrichting van je ondernemerschap nog aansluit bij de manier waarop je daadwerkelijk werkt.
Wil je zelfstandig blijven werken zonder onzekerheid?
Ontdek hoe werken via Uniforce en de DUBV werkt en welke mogelijkheden deze vorm biedt voor jouw situatie. Neem contact op met onze adviseurs.
Bron: Prinsjesdag: Belastingplan 2027 | Rijksoverheid.nl